ECLI:NL:CRVB:2006:AY8224
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verhoging WW-dagloon met terugwerkende kracht en vergoeding wettelijke rente
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht over de verhoging van het WW-dagloon en de vergoeding van wettelijke rente. Betrokkene had bij verzoek van 28 november 2001 gevraagd om herziening van zijn dagloon. Hoewel het UWV het dagloon met terugwerkende kracht verhoogde per 13 maart 2002, weigerde het de wettelijke rente over de nabetaling te vergoeden.
De rechtbank oordeelde dat het besluit van 11 januari 1994 onrechtmatig was en dat het UWV vanaf 1 februari 1994 wettelijke rente verschuldigd was. Het UWV stelde dat de gevolgen van de onrechtmatigheid voor rekening van betrokkene moesten komen, omdat het dagloon destijds was vastgesteld op basis van door betrokkene en zijn werkgever verstrekte gegevens en betrokkene pas na acht jaar bezwaar maakte.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat het UWV de wettelijke beslistermijn had overschreden door pas op 13 maart 2002 te beslissen op het verzoek van betrokkene. De Raad oordeelde dat het UWV vanaf 1 februari 2002 wettelijke rente verschuldigd is en dat het hoger beroep niet slaagt. Het UWV moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van betrokkene en wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 644,-- voor betrokkene.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt afgewezen en het UWV moet wettelijke rente vergoeden vanaf 1 februari 2002.