ECLI:NL:CRVB:2006:AY8225
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verhoging WW-dagloon met terugwerkende kracht en weigering wettelijke rente
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht over de verhoging van het WW-dagloon van betrokkene met terugwerkende kracht en de weigering om wettelijke rente over de nabetaling te vergoeden.
Appellant erkent dat het oorspronkelijke besluit van 14 januari 1994 onrechtmatig was, maar stelt dat de gevolgen daarvan voor risico van betrokkene moeten komen omdat het dagloon destijds op basis van verstrekte gegevens was vastgesteld en betrokkene pas na acht jaar om herziening vroeg. De rechtbank oordeelde dat appellant vanaf 1 februari 1994 wettelijke rente verschuldigd is.
De Raad onderschrijft het standpunt van appellant dat de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd, maar op onjuiste gronden. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen, met de verplichting voor appellant om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene. Tevens wordt appellant veroordeeld tot betaling van de proceskosten van betrokkene, begroot op € 644,--.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant moet een nieuw besluit nemen over de wettelijke rente en de proceskosten betalen.