ECLI:NL:CRVB:2006:AY8241
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verhoging WW-dagloon met terugwerkende kracht en weigering wettelijke rente
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht over de verhoging van het WW-dagloon en de vergoeding van wettelijke rente. Betrokkene had in 1994 een WW-uitkering ontvangen, waarvan het dagloon later met terugwerkende kracht werd verhoogd na een verzoek in 2002. Appellant had geweigerd wettelijke rente over de nabetaling te vergoeden, wat de rechtbank onrechtmatig achtte.
De Centrale Raad overwoog dat appellant het besluit over de verhoging van het dagloon binnen de wettelijke beslistermijn had moeten nemen, wat niet was gebeurd. Hierdoor was de toekenning van wettelijke rente vanaf 1 juli 2002 terecht. Wel stelde de Raad vast dat appellant rente over rente had verzuimd toe te kennen, waardoor het bestreden besluit vernietigd werd, zij het op andere gronden dan de rechtbank had aangegeven.
Het hoger beroep van appellant werd afgewezen en de Raad veroordeelde het Uitvoeringsinstituut tot betaling van proceskosten aan betrokkene. Tevens werd appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.
Uitkomst: Het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt afgewezen en het besluit tot weigering van rente over rente wordt vernietigd.