ECLI:NL:CRVB:2006:AY8242
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verhoging WW-dagloon met terugwerkende kracht en weigering wettelijke rente
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht over de verhoging van het WW-dagloon van betrokkene met terugwerkende kracht en de vergoeding van wettelijke rente over de nabetaling.
Betrokkene had in 1994 een WW-uitkering toegekend gekregen. Na een verzoek in 2002 werd het dagloon met terugwerkende kracht verhoogd. Het Uitvoeringsinstituut weigerde aanvankelijk wettelijke rente te vergoeden, maar kende deze later toe vanaf 1 juli 2002. De rechtbank oordeelde echter dat wettelijke rente vanaf 1 maart 1994 verschuldigd was vanwege onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit.
De Centrale Raad bevestigt dat het besluit onrechtmatig was en dat het Uitvoeringsinstituut de wettelijke rente over de nabetaling moet vergoeden. Wel erkent de Raad dat de overschrijding van de beslistermijn door het Uitvoeringsinstituut de vergoeding vanaf 1 juli 2002 rechtvaardigt. Het hoger beroep wordt afgewezen en het Uitvoeringsinstituut wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan betrokkene.
Uitkomst: Het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt afgewezen en het besluit tot weigering van volledige wettelijke rente wordt vernietigd.