ECLI:NL:CRVB:2006:AY8243
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verhoging WW-dagloon met terugwerkende kracht en weigering wettelijke rente
Bij besluit van 24 februari 1994 kende het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) aan betrokkene een WW-uitkering toe met een vastgesteld dagloon. Na een verzoek van betrokkene in mei 2001 verhoogde het UWV het dagloon met terugwerkende kracht per 1 februari 1994. Vervolgens weigerde het UWV wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling, maar verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond en kende rente toe over de periode van 1 augustus 2001 tot 25 februari 2003.
De rechtbank oordeelde dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was en dat het UWV vanaf 1 maart 1994 wettelijke rente verschuldigd was. Het UWV erkende de onrechtmatigheid, maar stelde dat de gevolgen daarvan voor risico van betrokkene moesten komen, omdat het dagloon destijds was vastgesteld op basis van verstrekte gegevens en betrokkene pas na acht jaar om herziening vroeg.
De Raad onderschreef het standpunt van het UWV dat het verzoek binnen de wettelijke beslistermijn had moeten worden behandeld, wat niet gebeurde. Hierdoor was de rentevergoeding vanaf 1 augustus 2001 terecht toegekend. Echter, het bestreden besluit kon niet standhouden omdat het UWV had verzuimd rente over rente toe te kennen. De Raad bevestigde de vernietiging van het besluit, zij het op andere gronden dan de rechtbank had gedaan.
Ten slotte veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van de proceskosten van betrokkene, vastgesteld op €644 voor rechtsbijstand. Het UWV moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van betrokkene met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens het niet toekennen van rente over rente en het UWV moet een nieuw besluit nemen en proceskosten betalen.