ECLI:NL:CRVB:2006:AY8245
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verhoging WW-dagloon met terugwerkende kracht en weigering wettelijke rente
Betrokkene ontving vanaf 3 januari 1994 een WW-uitkering op basis van een vastgesteld dagloon. Na een verzoek van betrokkene in april 2003 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant) het dagloon met terugwerkende kracht verhoogd per 2 mei 2003. Appellant weigerde echter wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling, wat betrokkene aanvocht bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat appellant ten onrechte de wettelijke rente weigerde en dat het oorspronkelijke besluit van 27 januari 1994 onrechtmatig was. De rechtbank stelde dat appellant vanaf 1 februari 1994 wettelijke rente verschuldigd was. Appellant erkende de onrechtmatigheid, maar stelde dat de gevolgen daarvan voor risico van betrokkene moesten komen, mede omdat betrokkene en zijn werkgever destijds de gegevens aanleverden en betrokkene geen rechtsmiddel had aangewend.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht en verklaart het beroep van appellant ongegrond. Hiermee wordt bevestigd dat appellant niet verplicht is wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling, waarmee de weigering van de wettelijke rente standhoudt. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt ongegrond verklaard en de weigering tot betaling van wettelijke rente blijft gehandhaafd.