ECLI:NL:CRVB:2006:AY8259
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij geschil over intrekking bijstandsuitkering
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage inzake de intrekking van haar algemene en bijzondere bijstand. Tevens heeft zij een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om de gevolgen van het besluit van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage te schorsen.
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep overweegt dat op grond van artikel 8:81 Awb Pro en artikel 21 van Pro de Beroepswet een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist. Uit de stukken en het verhandelde blijkt dat verzoekster sinds 28 juni 2006 weer algemene bijstand ontvangt en dat in de tussenliggende periode haar dochter en schoonzoon haar hebben bijgestaan. Tevens is er geen sprake van schulden met onmiddellijke terugbetalingsverplichting.
Gelet op deze omstandigheden en het feit dat het geschil ziet op een inmiddels afgesloten periode, is geen spoedeisend belang aanwezig om de voorlopige voorziening toe te kennen. Het verzoek wordt daarom afgewezen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.