AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij geschil over intrekking bijstandsuitkering
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage inzake de intrekking van haar algemene en bijzondere bijstand. Tevens heeft zij een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om de gevolgen van het besluit van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage te schorsen.
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep overweegt dat op grond van artikel 8:81 AwbPro en artikel 21 vanPro de Beroepswet een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist. Uit de stukken en het verhandelde blijkt dat verzoekster sinds 28 juni 2006 weer algemene bijstand ontvangt en dat in de tussenliggende periode haar dochter en schoonzoon haar hebben bijgestaan. Tevens is er geen sprake van schulden met onmiddellijke terugbetalingsverplichting.
Gelet op deze omstandigheden en het feit dat het geschil ziet op een inmiddels afgesloten periode, is geen spoedeisend belang aanwezig om de voorlopige voorziening toe te kennen. Het verzoek wordt daarom afgewezen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.
Uitspraak
06/3967 WWB-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
inzake het verzoek om toepassing van artikelen 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 vanPro de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:
[verzoekster] (hierna: verzoekster),
in verband met het hoger beroep van:
verzoekster
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 5 juli 2006, 06/4571 en 06/4574 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoekster
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 8 september 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens verzoekster heeft mr. D.S.C. Hes, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Namens verzoekster heeft mr. Hes tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2006. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Hes. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish-Willeboordse, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluiten van 29 november 2005 heeft het College de aan verzoekster verleende algemene bijstand ingetrokken met ingang van 28 oktober 2005, haar verleende bijzondere bijstand voor kosten van hulp in de huishouding ingetrokken over de periode van 28 tot en met 31 oktober 2005 en de over die periode gemaakte kosten van algemene en bijzondere bijstand tot bedragen van € 99,23 respectievelijk € 2,24 van haar teruggevorderd.
Bij besluit van 29 april 2006 heeft het College het bezwaar van verzoekster tegen deze besluiten ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 29 april 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten.
Verzoekster heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 29 april 2006 in stand zijn gelaten.
Naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige voorziening overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
Ingevolge artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 vanPro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Volgens vaste rechtspraak is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een voorlopige voorziening te doen niet bedoeld om door middel van de zogenoemde "kortsluiting" de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien uit de gedingstukken of uit het verhandelde ter zitting naar voren komt dat van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaande aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake (meer) is, is daarin mede een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen en het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat op aanvraag van verzoekster met ingang van 28 juni 2006 wederom algemene bijstand aan haar is verleend naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een toeslag van 20%. In de periode gelegen tussen 1 november 2005 en de toekenning van algemene bijstand per 28 juni 2006 hebben de dochter en de schoonzoon van verzoekster haar bijgestaan en feitelijk in de kosten van haar levensonderhoud voorzien. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verzoekster meegedeeld dat bij verzoekster van schulden, waaraan een verplichting tot (onmiddellijke) terugbetaling verbonden is, thans geen sprake is.
Gelet op deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter in hetgeen namens verzoekster is aangevoerd geen aanknopingspunt voor het aannemen van een zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht. Daarbij heeft de voorzieningenrechter mede in aanmerking genomen dat het geschil inzake de algemene bijstand ziet op een inmiddels afgesloten periode.
Het verzoek om een voorlopige voorziening dient derhalve te worden afgewezen.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 september 2006.