ECLI:NL:CRVB:2006:AY8289
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Ingangsdatum nabestaandenuitkering bij vermoedelijk overlijden echtgenoot
Appellante diende een aanvraag in voor een nabestaandenuitkering op basis van de Algemene nabestaandenwet (ANW) met terugwerkende kracht vanaf het overlijden van haar echtgenoot, die sinds 4 augustus 1995 vermist was. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende de uitkering toe met ingang van 1 december 2000, waarna appellante bezwaar maakte tegen deze ingangsdatum. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand en veroordeelde de Svb in beperkte proceskosten.
In hoger beroep stelde appellante dat de ministeriële regeling omtrent vermoedelijk overlijden niet van toepassing was omdat er geen omstandigheden waren die het overlijden aannemelijk maakten. De Raad oordeelde dat het rechtsvermoeden van overlijden op grond van artikel 1:413 BW Pro van toepassing is en dat de procedure van vermoedelijk overlijden ook geldt bij het ontbreken van concrete aanwijzingen. De Raad stelde vast dat de Svb ten onrechte de Regelen vermoedelijk overlijden niet toepaste en dat de terugwerkende kracht van de uitkering niet beperkt mocht worden tot één jaar.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover de rechtsgevolgen in stand waren gelaten en de proceskostenveroordeling beperkt was. De Svb werd veroordeeld tot een nieuwe beslissing op bezwaar en tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep en bezwaar, alsmede het griffierecht van appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de Sociale verzekeringsbank wordt verplicht een nieuwe beslissing te nemen en proceskosten te vergoeden.