ECLI:NL:CRVB:2006:AY8636
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt uitspraak rechtbank over weigering WAJONG-uitkering wegens onvoldoende bewijs inkomensgegevens
Betrokkene, lijdend aan schizofrenie, vroeg op 7 juni 2001 een WAJONG-uitkering aan. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, weigerde deze op 20 juni 2003 omdat betrokkene niet kon aantonen in het refertejaar (direct voorafgaand aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag) inkomen uit arbeid te hebben genoten, een vereiste volgens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).
De rechtbank ’s-Gravenhage verklaarde het beroep van betrokkene tegen deze weigering gegrond en vernietigde het besluit wegens strijd met artikel 3:2 Awb Pro, omdat appellant onvoldoende onderzoek had gedaan naar de inkomensgegevens ondanks toezeggingen daartoe. De rechtbank stelde dat alleen vragen aan betrokkene onvoldoende waren, mede gezien haar aandoening.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat in het bezwaarbesluit geen toezegging tot nader onderzoek lag en dat de verplichting tot het verstrekken van relevante informatie bij betrokkene ligt. Gezien het late tijdstip van de aanvraag en het feit dat betrokkene zelf geen bewijs kon leveren, rust het risico van het ontbreken van gegevens op haar. De Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van appellant ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WAJONG-uitkering gehandhaafd.