ECLI:NL:CRVB:2006:AY8718

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4375 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbWerkloosheidswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot vergoeding wettelijke rente over nabetaling WW-dagloon afgewezen

Betrokkene ontving een WW-uitkering waarvan het dagloon op 24 januari 1994 werd vastgesteld. Later werd het dagloon met terugwerkende kracht verhoogd na een verzoek van betrokkene. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, weigerde echter wettelijke rente te vergoeden over deze nabetaling. De rechtbank oordeelde dat deze weigering onterecht was en dat wettelijke rente vanaf 1 februari 1994 verschuldigd was.

Appellant erkende dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was, maar stelde dat de gevolgen daarvan voor risico van betrokkene moesten komen, mede omdat betrokkene geen bezwaar had gemaakt tegen de dagloonvaststelling en pas na lange tijd om herziening had gevraagd. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het hoger beroep zich alleen richtte op de wettelijke rentevergoeding en dat het besluit van 19 oktober 2004, waarin het dagloon werd aangepast, niet in het hoger beroep werd betrokken.

De Raad onderschreef het standpunt van appellant en vernietigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee het beroep ongegrond werd verklaard. Er werden geen proceskosten toegewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter G. van der Wiel op 31 augustus 2006.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering tot vergoeding van wettelijke rente over de nabetaling wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

04/4375 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 juli 2004, 03/1271
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 31 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft bij brief van 19 oktober 2004 een afschrift van een besluit van die datum ingezonden, waarop de griffier aan partijen heeft bericht dat de Raad vooralsnog heeft besloten bij de behandeling van het geding tevens een oordeel over dat besluit te geven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2006. Namens appellant is verschenen mr. R.G. Willems-Cremers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en namens betrokkene is verschenen mr. Brauer, voornoemd.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Bij besluit van 24 januari 1994 heeft appellant aan betrokkene met ingang van
3 januari 1994 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van betrokkene van 2 mei 2003 heeft appellant bij besluit van 23 mei 2003 het WW-dagloon met volledig terugwerkende kracht verhoogd.
Bij besluit van 28 mei 2003 heeft appellant geweigerd wettelijke rente te vergoeden over de nabetaling, bij besluit op bezwaar van 25 augustus 2003 is die weigering gehandhaafd.
Volgens de rechtbank heeft appellant ten onrechte geweigerd wettelijke rente te vergoeden. Het besluit van 24 januari 1994 moet als onrechtmatig worden aangemerkt en de rechtbank is van oordeel dat appellant ingaande 1 februari 1994 wettelijke rente is verschuldigd.
Appellant erkent dat het besluit van 24 januari 1994 onrechtmatig was, maar vindt dat de gevolgen van de onrechtmatigheid van dat besluit veeleer voor risico van betrokkene dienen te komen. Het dagloon is destijds vastgesteld op basis van de gegevens die door betrokkene en zijn werkgever zijn verstrekt. Betrokkene heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen de dagloonvaststelling en heeft eerst na verloop van lange tijd verzocht om herziening van het dagloon.
De Raad overweegt als volgt.
De aangevallen uitspraak heeft betrekking op de hoogte van het dagloon en de vergoeding van wettelijke rente. Het hoger beroep heeft uitsluitend betrekking op de vergoeding van wettelijke rente. Het besluit van 19 oktober 2004 is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het bestreden besluit is vernietigd, in zoverre dat betrekking had op de hoogte van het dagloon, in welke vernietiging appellant heeft berust. Gelet op de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen grond om het besluit van 19 oktober 2004 te betrekking in het hoger beroep. Hetgeen door de griffier aan partijen is bericht, kan daar niet aan afdoen. Mocht appellant zich niet met meergenoemd besluit kunnen verenigen, dan dient hij daartegen zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs van hem kan worden verlangd beroep in te stellen.
Zoals blijkt uit de uitspraak van de Raad van 15 december 2005 (LJN: AU8835) onderschrijft de Raad het standpunt van appellant.
Dat betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep ongegrond moet worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2006.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) C.M.T. Kruls.
BKH 250806