ECLI:NL:CRVB:2006:AY8761

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-111 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring wegens niet tijdig overleggen bestreden besluit en handelsregisteruittreksel

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem waarin haar inleidend beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet tijdig overleggen van een afschrift van het bestreden besluit en een uittreksel uit het handelsregister.

De rechtbank had appellante bij brieven van 8 en 18 juli 2005 in de gelegenheid gesteld deze verzuimen te herstellen, met de expliciete waarschuwing dat bij uitblijven van overleg het beroep niet-ontvankelijk zou worden verklaard. Appellante maakte hier echter geen gebruik van binnen de gestelde termijn.

In hoger beroep stelde appellante dat de brieven niet op het juiste adres waren verzonden, waardoor zij deze niet had ontvangen. De Raad overwoog dat het correspondentieadres dat appellante nu noemt niet in het inleidend beroepschrift was vermeld, zodat het risico van de verkeerde adressering bij appellante ligt.

De Raad concludeerde dat de rechtbank de randvoorwaarden voor toepassing van artikel 6:6 Awb Pro juist heeft toegepast en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig overleggen van het bestreden besluit en het handelsregisteruittreksel.

Uitspraak

06/111 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[ap[vestigingsplaats]ante], te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 november 2005, nummer 05/2425 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 september 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld door A. Unal, bewaarder van boeken en bescheiden van appellante.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 28 juli 2006, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij de aangevallen uitspraak is een namens appellante ingesteld inleidend beroep door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard op de aan artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ontleende grond dat appellante niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft voldaan aan het verzoek om alsnog een afschrift van het besluit waarop het geschil bestrekking heeft en een uittreksel uit het handelsregister over te leggen.
De Raad stelt vast dat de rechtbank appellante bij brieven van 8 juli 2005 en 18 juli 2005 in de gelegenheid heeft gesteld de verzuimen te herstellen, waarbij expliciet is aangegeven dat het beroep, mocht appellant in gebreke blijven, niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Daarnaast stelt de Raad vast dat appellante van deze gelegenheid binnen de daartoe gestelde termijn geen gebruik heeft gemaakt.
In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat de rechtbank de brieven van 8 juli 2005 en 18 juli 2005 niet heeft verzonden naar het juiste adres en dat deze brieven daardoor niet door A. Unal voornoemd zijn ontvangen.
Dienaangaande overweegt de Raad dat het correspondentie-adres dat appellante in hoger beroep noemt als het juiste adres niet is vermeld in het inleidend beroepschrift. Hierdoor valt de omstandigheid dat de rechtbank de brieven van 8 juli 2005 en 18 juli 2005 heeft verzonden naar een ander adres - het adres waar appellante was gevestigd - in de risicosfeer van appellante.
In het voorgaande ligt besloten dat de rechtbank de randvoorwaarden voor toepassing van de in artikel 6:6 van Pro de Awb gegeven bevoegdheid in acht heeft genomen. De Raad ziet voorts geen grond voor het oordeel dat de rechtbank geen gebruik heeft kunnen maken van deze bevoegdheid. Derhalve treft het hoger beroep van appellante geen doel.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door J. Janssen als voorzitter en J.W. Schuttel en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 september 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
Gw