ECLI:NL:CRVB:2006:AY8763
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing over hoogte dagloon bij faillissement werkgever en overname loonbetaling
Appellant was adviseur bij een assurantiekantoor en werkte daar sinds 1 mei 2000, aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en vanaf 1 mei 2001 voor onbepaalde tijd. De werkgever werd op 11 juni 2003 failliet verklaard. Appellant diende op 26 juni 2003 een aanvraag in voor overname van loonbetaling. Het UWV stelde het dagloon vast op €46,98, gebaseerd op een maandloon van €1.249,20. Appellant stelde dat een hoger basissalaris van €2.268,90 (f 5.000) was overeengekomen, maar kon dit niet met verifieerbare salarisbetalingen onderbouwen.
Het bezwaar van appellant tegen de vaststelling van het dagloon werd ongegrond verklaard omdat van hem redelijkerwijs verwacht mocht worden dat hij eerder rechtsmiddelen had aangewend tegen de werkgever. Het niet tijdig ondernemen van actie werd gezien als oorzaak van het niet kunnen incasseren van het hogere salaris, en dit mocht niet ten koste van het UWV komen.
De rechtbank onderschreef dit standpunt en de Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat het UWV terecht uitgaat van de schriftelijke arbeidsovereenkomst bij het vaststellen van het dagloon, zeker wanneer geen bewijs is voor een hoger overeengekomen salaris. De ingediende aanvullende stukken konden hieraan niets afdoen. Het hoger beroep werd verworpen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het dagloon blijft vastgesteld op basis van de schriftelijke arbeidsovereenkomst.