ECLI:NL:CRVB:2006:AY8803

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-5896 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WAO-uitkering wegens ontbreken verminderd arbeidsvermogen

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin de afwijzing van zijn WAO-uitkering werd bevestigd. Het geschil betreft de vraag of appellant recht heeft op een WAO-uitkering op grond van verminderd arbeidsvermogen als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek.

De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld op 11 augustus 2006, waarbij appellant niet is verschenen. Het UWV werd vertegenwoordigd door een gemachtigde. De Raad heeft de aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 september 2004 bevestigd, omdat appellant geen nieuwe gezichtspunten heeft ingebracht en de medische beoordeling geen verminderd arbeidsvermogen aantoonde.

De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en ziet geen grond om het besluit van het UWV te vernietigen of een proceskostenveroordeling uit te spreken. De uitspraak is gedaan door rechter J. Brand en uitgesproken op 22 september 2006.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van verminderd arbeidsvermogen.

Uitspraak

04/5896 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 september 2004, kenmerk 03/278 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 22 september 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 11 augustus 2006. Appellant is aldaar, zoals tevoren is bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. G.G. Prijor.
II. OVERWEGINGEN
Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van de feiten en omstandigheden die in dit geding van belang zijn, volstaat de Raad met het volgende.
Evenals in beroep ligt thans in hoger beroep ter beantwoording de vraag voor of het Uwv bij besluit van 13 december 2002, waarbij hij heeft gehandhaafd zijn besluit van 18 april 2001, terecht en op goede gronden met ingang van 15 maart 2000 - in aansluiting op het einde van de wachttijd - appellant geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids- verzekering (WAO)heeft toegekend, op de grond dat er ten tijde van belang geen sprake was van een verminderd arbeidsvermogen als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen reeds in beroep is aangevoerd. Nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht.
De Raad beantwoordt voormelde vraag net als de rechtbank bij de aangevallen uitspraak bevestigend. De Raad kan de ter zake door de rechtbank gehanteerde overwegingen geheel onderschrijven en maakt deze tot de zijne.
Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een proceskostenveroordeling uit te spreken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 september 2006.
(get.) J. Brand.
(get.) N.E. Nijdam.