ECLI:NL:CRVB:2006:AY8806
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens geschiktheid voor gangbare arbeid ondanks onvoldoende reïntegratie
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om hem een WAO-uitkering toe te kennen, omdat hij volgens het UWV geschikt is voor gangbare arbeid waarmee hij 85,7% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant aanvankelijk dat hij zich neerlegde bij het oordeel dat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt was, maar wijzigde later zijn standpunt en stelde dat hij met een juiste reïntegratie wel geschikt had kunnen zijn voor zijn eigen werk.
Appellant erkende dat de reïntegratie aanvankelijk niet goed verliep door een verstoorde relatie met zijn werkgever en stelde dat het UWV onvoldoende sturend optrad om reïntegratie mogelijk te maken. Hij betoogde dat onder deze omstandigheden het UWV niet tot een theoretische schatting had mogen overgaan en dat hem daarom een WAO-uitkering toegekend had moeten worden.
De Raad verwierp dit standpunt en overwoog dat het ontbreken van voldoende reïntegratie-inspanningen het UWV niet verhindert een theoretische schatting uit te voeren. Ook eventuele gebreken in de beoordeling van reïntegratieactiviteiten leiden niet tot het achterwege laten van een theoretische schatting. Omdat appellant geen grieven had tegen de medische en arbeidskundige grondslag van de theoretische schatting, wees de Raad het hoger beroep af en bevestigde de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat appellant geschikt is voor gangbare arbeid ondanks onvoldoende reïntegratie.