ECLI:NL:CRVB:2006:AY8806

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-3102 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens geschiktheid voor gangbare arbeid ondanks onvoldoende reïntegratie

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om hem een WAO-uitkering toe te kennen, omdat hij volgens het UWV geschikt is voor gangbare arbeid waarmee hij 85,7% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant aanvankelijk dat hij zich neerlegde bij het oordeel dat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt was, maar wijzigde later zijn standpunt en stelde dat hij met een juiste reïntegratie wel geschikt had kunnen zijn voor zijn eigen werk.

Appellant erkende dat de reïntegratie aanvankelijk niet goed verliep door een verstoorde relatie met zijn werkgever en stelde dat het UWV onvoldoende sturend optrad om reïntegratie mogelijk te maken. Hij betoogde dat onder deze omstandigheden het UWV niet tot een theoretische schatting had mogen overgaan en dat hem daarom een WAO-uitkering toegekend had moeten worden.

De Raad verwierp dit standpunt en overwoog dat het ontbreken van voldoende reïntegratie-inspanningen het UWV niet verhindert een theoretische schatting uit te voeren. Ook eventuele gebreken in de beoordeling van reïntegratieactiviteiten leiden niet tot het achterwege laten van een theoretische schatting. Omdat appellant geen grieven had tegen de medische en arbeidskundige grondslag van de theoretische schatting, wees de Raad het hoger beroep af en bevestigde de aangevallen uitspraak.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat appellant geschikt is voor gangbare arbeid ondanks onvoldoende reïntegratie.

Uitspraak

04/3102 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2004, 02/2161 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 september 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.P. Wasscher, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2006. Voor appellant is mr. Wasscher verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
II. OVERWEGINGEN
Het Uwv heeft bij besluit van 6 juni 2001 geweigerd appellant met ingang 24 september 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder de overweging dat appellant na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd van 52 weken niet meer geschikt is voor zijn eigen werk, maar nog wel voor andere gangbare arbeid waarmee hij 85,7% van zijn maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 28 maart 2002 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat hij zich neerlegt bij het oordeel van de rechtbank dat hij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht per 24 september 2000. Appellant is verder niet overtuigd van de juistheid van de aangevallen uitspraak, voorzover de rechtbank als oordeel heeft gegeven dat het dossier geen aanknopingspunten geeft voor de stelling dat het arbeidskundig oordeel dat appellant ongeschikt is voor zijn eigen werk onjuist is. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant zijn standpunt in die zin bijgesteld dat appellant bij het einde van de wachttijd nog ongeschikt was voor zijn eigen werk, maar dat hij met een juiste reïntegratie bij het einde van de wachttijd dan wel korte tijd daarna wel geschikt had kunnen zijn voor zijn eigen werk. Appellant erkent dat door een verstoorde relatie met zijn werkgever de reïntegratie aanvankelijk niet goed op gang is gekomen. Na verbetering van die relatie heeft het Uwv onvoldoende sturend opgetreden om te zorgen dat appellant kon reïntegreren in zijn eigen werk. In zijn visie mag onder deze omstandigheden het Uwv niet overgaan tot het uitvoeren van een theoretische schatting, maar vereist de zorgvuldigheid dat hem bij het einde van de wachttijd een WAO-uitkering wordt toegekend.
De Raad kan het standpunt van appellant niet onderschrijven en overweegt, onder verwijzing naar eerdere uitspraken van de Raad, bijvoorbeeld gepubliceerd onder LJN ZB8725 en AF8103, dat het ontbreken van voldoende reïntegratie-inspanningen bij de werkgever het Uwv niet hoeft te verhinderen een theoretische schatting uit te voeren. Evenmin kunnen eventuele gebreken in de beoordeling van de reïntegratieactiviteiten door het Uwv er toe leiden dat een theoretische schatting niet behoeft te worden uitgevoerd.
Nu tegen de vaststelling door de rechtbank dat de theoretische schatting op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust, geen grieven zijn aangevoerd, concludeert de Raad dat het hoger beroep niet slaagt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 september 2006.
(get.) M.C. Bruning.
(get.) P. van der Wal.