ECLI:NL:CRVB:2006:AY8810

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-1948 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van WAO-beoordeling arbeidsongeschiktheid en geschiktheid geselecteerde functies

Appellant ontvangt sinds 1985 een gedeeltelijke WAO-uitkering vanwege psychische klachten. Na uitval in 2001 en een bezwaarschrift tegen een besluit van het UWV, stelde het UWV in 2003 de arbeidsongeschiktheidsklasse vast op 45 tot 55% met een beperking tot 6 uur werk per dag.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en dat de door appellant overgelegde psychiaterrapportage geen aanleiding gaf tot een andere beoordeling. Tevens oordeelde de rechtbank dat appellant geschikt was voor de geselecteerde functies.

In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze overwegingen. De brief van de psychiater uit 2004 leidt niet tot een andere conclusie, mede omdat deze niet betrekking heeft op de relevante datum. De Raad acht de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid en geschiktheid van functies terecht vastgesteld door het UWV.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van 45-55% arbeidsongeschiktheid en de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies.

Uitspraak

04/1948 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 maart 2004, 03/560 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 22 september 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft vervolgens een schrijven van psychiater S. Gülsaçan ingediend, gedateerd 27 april 2004.
Het Uwv heeft hierop een rapport van de bezwaarverzekeringsarts ingezonden, gedateerd 25 mei 2004.
Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 11 augustus 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. J.J.C. Röttjers.
II. OVERWEGINGEN
Appellant is sinds 1985 in het genot van een (gedeeltelijke) WAO-uitkering vanwege klachten van psychische aard.
Op 23 maart 2001 is hij uitgevallen voor zijn werk in verband met klachten van depressieve aard.
Bij besluit van 31 januari 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv - beslissend op het door appellant tegen het besluit van 14 augustus 2002 ingediende bezwaarschrift - na aanname van een beperking in arbeidsduur tot 6 uur per dag, 5 dagen per week de arbeidsongeschiktheidsklasse per 12 september 2002 vastgesteld op 45 tot 55%.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard onder de overweging dat (kort samengevat) de verzekeringsartsen van het Uwv bij appellant niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld en dat de door appellant overgelegde informatie en met name de rapportage van psychiater Gülsaçan van 10 mei 2003 geen aanknopingspunten biedt voor de stelling dat appellant ernstiger beperkt is dan door de bezwaarverzekeringsarts is aangenomen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat zij, op basis van de gedingstukken, voldoende overtuigd is van de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies en dat het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid heeft gewaardeerd op 45 tot 55%.
In hoger beroep heeft appellant verwezen naar de inhoud van zijn beroepschrift in eerste aanleg.
De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen grond voor twijfel is aan de door het Uwv
- op basis van de door de verzekeringsartsen uitgebrachte rapportages - in acht genomen medische beperkingen van appellant en stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank terzake. De door appellant in hoger beroep ingediende brief van psychiater Gülsaçan van 27 april 2004 geeft de Raad geen aanleiding tot een ander standpunt. Dit reeds omdat de opvatting van de psychiater niet ziet op de datum in geding.
Wat betreft de geschiktheid van de geselecteerde functies stelt de Raad zich eveneens achter de overwegingen van de rechtbank terzake en is, met de rechtbank van oordeel, dat het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 12 september 2002 heeft vastgesteld op 45 tot 55%.
Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 september 2006.
(get.) J. Brand.
(get.) N.E. Nijdam.