ECLI:NL:CRVB:2006:AY8872
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde vaststelling WAO-uitkering ondanks betwisting arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV van 20 december 2002, waarbij zijn WAO-uitkering werd vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Appellant stelde dat hij vanwege evenwichtsstoornissen en klachten in armen en benen niet in staat was lichte werkzaamheden te verrichten en dat het UWV zijn klachten onvoldoende zorgvuldig had onderzocht. Tevens voerde hij aan dat een onderzoek door een onafhankelijk deskundige noodzakelijk was.
De rechtbank Maastricht verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe relevante gezichtspunten had aangevoerd die aanleiding zouden geven tot wijziging van het besluit. De herhaalde grieven van appellant werden door de rechtbank en de Raad afdoende besproken en gemotiveerd afgewezen.
Partijen waren niet verschenen bij de zitting van 11 augustus 2006. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigde het besluit van het UWV. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Brand op 22 september 2006.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de ongewijzigde vaststelling van de WAO-uitkering op 25-35% arbeidsongeschiktheid.