ECLI:NL:CRVB:2006:AY8875
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering naar lagere mate van arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat haar WAO-uitkering per 6 mei 2002 op een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage moet worden vastgesteld. Ter onderbouwing heeft zij medische informatie en twee psychologische rapporten ingebracht.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de rechtbank de grieven van appellante afdoende heeft besproken en gemotiveerd waarom deze niet slagen.
Uit het rapport van Psychologisch Adviesbureau Heller blijkt dat appellante werkzaamheden kan verrichten en dat haar mogelijkheden tot arbeidsinpassing positiever zijn dan zij zelf aangeeft. Het rapport van Psychologen Kollektief Groningen betreft een latere datum en werpt geen nieuw licht op de situatie per 6 mei 2002.
De Raad wijst ook op een kennelijke verschrijving in de datum in het besluit van 21 januari 2003, maar stelt dat dit geen onduidelijkheid of misverstand heeft veroorzaakt. De primaire beslissing en het bezwaarbesluit richten zich onmiskenbaar op 6 mei 2002.
Daarom wordt het besluit van het UWV herbevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot herziening van de WAO-uitkering wordt bevestigd.