ECLI:NL:CRVB:2006:AY8948
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld na ziekmelding vanuit WW-situatie wegens geschiktheid voor WAO-functies
Appellant meldde zich op 17 april 2001 ziek met psychische klachten terwijl hij een WW-uitkering ontving. Het UWV weigerde ziekengeld omdat appellant reeds een gedeeltelijke WAO-uitkering ontving en niet langer ongeschikt werd geacht voor zijn arbeid. In bezwaar en beroep werd bevestigd dat appellant geschikt was voor de functies die in het kader van de WAO aan hem waren toegerekend.
Appellant voerde aan dat de rechtbank ten onrechte de noodzaak van een sociaal stabiele leefsituatie als acculturatieproblematiek wegwuifde en dat het UWV had moeten onderzoeken of sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid. De Raad overwoog dat in een Ziektewet-procedure de aanspraken op WAO-uitkering niet betrokken kunnen worden en dat het UWV bereid was alsnog een WAO-onderzoek te verrichten.
De psychiater Kazemier concludeerde dat appellant op de datum van ziekmelding matig ernstig depressief was maar wel in staat werd geacht de voor de WAO vastgestelde functies te verrichten. De Raad volgde deze conclusie en oordeelde dat de voorwaarde van een sociaal stabiele leefsituatie niet afdoet aan de geschiktheid voor arbeid. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellant geschikt werd geacht voor de WAO-functies.