ECLI:NL:CRVB:2006:AY9001
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij Ziektewet-uitkering
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij vanaf 18 juli 2003 niet langer wegens ziekte ongeschikt was voor arbeid en dat onverschuldigd betaalde Ziektewet-uitkering moest worden teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Later trok het UWV het bestreden besluit in en erkende appellant ongeschikt te achten wegens ziekte vanaf genoemde datum.
Appellant verzocht de Raad om alsnog inhoudelijk te oordelen over de onrechtmatigheid van het ingetrokken besluit en over de principiële vraag wanneer een alcoholverslaafde wegens ziekte als arbeidsongeschikt kan worden beschouwd. De Raad overwoog dat het hoger beroep niet bedoeld is voor theoretische of principiële rechtsvragen en dat het ontbreken van procesbelang leidt tot niet-ontvankelijkheid.
De Raad concludeerde dat door het intrekken van het besluit het procesbelang van appellant is komen te vervallen, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellant in zowel eerste aanleg als hoger beroep en bepaalde dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na intrekking van het bestreden besluit door het UWV.