ECLI:NL:CRVB:2006:AY9266
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering
Appellant ontvangt sinds 1992 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55%. In 1996 werd hij hersteld verklaard in het kader van de Ziektewet, waarna het UWV zijn WAO-uitkering herzag. Diverse besluiten en beroepen volgden, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid fluctuaties vertoonde tussen 45-55% en 80-100%.
In 2002 stelde het UWV de WAO-uitkering vast op 80 tot 100% voor de periode van 4 oktober 1996 tot 4 april 1999, en 45 tot 55% vanaf 4 april 1999. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, maar de Raad oordeelt dat het besluit onvoldoende gemotiveerd is, met name omdat het UWV niet eerder een afzonderlijk besluit nam over de vaststelling per 4 april 1999.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak en beveelt het UWV een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het UWV moet een nieuwe beslissing op bezwaar nemen.