ECLI:NL:CRVB:2006:AY9567
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid ondanks gebrekkige reïntegratie-inspanningen
In deze zaak is het geschil ontstaan over de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van een werknemer en de rol van reïntegratie-inspanningen door het UWV en diens rechtsvoorganger, het LISV. De werknemer werd na een periode van ziekte en het niet verlengen van zijn arbeidsovereenkomst in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55 tot 65%.
Appellante voerde aan dat het UWV ten onrechte het eerste arbeidsongeschiktheidsdag vaststelde op 24 augustus 1999 en dat het UWV onvoldoende controle en begeleiding heeft geboden tijdens het ziektewetjaar, waardoor reïntegratie mogelijk had kunnen voorkomen dat de werknemer arbeidsongeschikt werd. De rechtbank had echter geoordeeld dat de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de mate van arbeidsongeschiktheid juist waren en dat reïntegratie-inspanningen losstaan van de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat het ontbreken van adequate reïntegratie-inspanningen door het LISV niet relevant is voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd. Het hoger beroep van appellante wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
De Raad ziet geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd ondanks gebrekkige reïntegratie-inspanningen.