ECLI:NL:CRVB:2006:AY9655
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering met toepassing van CBBS en geschiktheid functies
Appellant, die sinds 1999 wegens hartklachten niet meer werkt, kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Deze werd in 2002 herzien naar 15-25%, waarna appellant bezwaar maakte. Het Uwv stelde de mate van arbeidsongeschiktheid bij het bestreden besluit vast op 25-35%.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep constateerde dat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd in strijd met artikel 3:46 Awb Pro en vernietigde het. De Raad beoordeelde vervolgens of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand konden blijven.
De Raad vond het medisch onderzoek zorgvuldig en de functionele mogelijkhedenlijst adequaat opgesteld. Van de vijf functies die appellant kon verrichten, werden twee functies door de bezwaararbeidsdeskundige als ongeschikt beoordeeld, maar drie functies bleven geschikt. De Raad oordeelde dat deze drie functies voldoende waren om de schatting te dragen.
De Raad concludeerde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, namelijk de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 25-35%, gehandhaafd konden blijven. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed. De uitspraak werd gedaan door M.M. van der Kade op 6 oktober 2006.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen van de herziening van de WAO-uitkering blijven in stand.