ECLI:NL:CRVB:2006:AY9657
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over arbeidsongeschiktheid met handhaving rechtsgevolgen
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV van 9 december 2002, waarin zijn WAO-uitkering werd ingetrokken wegens een vermeende arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond en de rechtbank bevestigde dit oordeel. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd het bestreden besluit vernietigd vanwege onvoldoende onderbouwing van de schatting van de arbeidsongeschiktheid.
De Raad oordeelde dat appellant weliswaar beperkingen ondervond, maar geschikt was voor bepaalde functies met een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. De medische en arbeidskundige onderbouwing van het besluit werd kritisch beoordeeld, waarbij het CBBS-systeem en de taalvaardigheid van appellant een rol speelden. De Raad achtte de functies van algemeen productiemedewerker en productiemedewerker industrie passend, ondanks bezwaren over opleidingsniveau en taal.
Hoewel het besluit werd vernietigd, bleven de rechtsgevolgen ervan in stand op grond van artikel 8:72, derde lid, Awb. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd, de rechtsgevolgen blijven in stand en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.