ECLI:NL:CRVB:2006:AY9668

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2254 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 812 ARAArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aansprakelijkheid ambtenaar voor schade door overtreding verkeersregels tijdens diensttijd

Appellant, werkzaam als hoofdtechnicus bij het GVB, reed op 16 april 2003 tijdens diensttijd in een dienstwagen door rood licht en negeerde daarbij een door een negenoog aangegeven rijrichting. Dit leidde tot een boete die door het leasebedrijf aan het GVB werd doorberekend.

Het college bracht de kosten van deze boete bij appellant in rekening op grond van artikel 812, eerste lid, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA), omdat sprake was van aan opzet grenzende grove schuld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad bevestigt dit oordeel.

De Raad oordeelt dat appellant bewust in strijd met meerdere verkeersvoorschriften heeft gehandeld zonder noodzaak of rechtvaardiging, waardoor de gemeente schade leed die op grond van het ARA door appellant vergoed moet worden. De Raad wijst ook op de duidelijke bewoordingen van artikel 812 ARA Pro, ondanks dat het artikel formeel ziet op schade aan gemeente-eigendommen.

Tot slot wijst de Raad een vergoeding van proceskosten af en bevestigt de aangevallen uitspraak volledig.

Uitkomst: Appellant is aansprakelijk voor de boetekosten wegens aan opzet grenzende grove schuld en moet deze vergoeden aan het college.

Uitspraak

05/2254 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2005, 04/3702 (hierna: aangevallen uitspraak)
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)
Datum uitspraak: 5 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. C. Taskam, werkzaam bij de Abvakabo FNV. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.R. van Waveren Hogervorst-Vuurboom, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad, op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant is sedert 1990 werkzaam bij het gemeentevervoerbedrijf Amsterdam (GVB) in de functie van hoofdtechnicus A.
1.2. Bij beschikking van 23 juli 2003 is aan Holland Leasing een boete opgelegd voor het niet stoppen voor rood licht bij een driekleurig verkeerslicht op 16 april 2003 met een nader aangegeven auto. Het leasebedrijf heeft die boete, vermeerderd met administratiekosten, tot een totaalbedrag van € 96,81 bij het GVB in rekening gebracht.
1.3. Bij besluit van 25 februari 2004, zoals gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van
29 juni 2004, heeft het college de kosten voor het begaan van die boete met toepassing van artikel 812, eerste lid, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA) bij appellant in rekening gebracht. Daartoe is overwogen, in hoofdzaak, dat appellant op 16 april 2003, rijdende in de betrokken auto, bewust in strijd met meerdere verkeersvoorschriften heeft gehandeld door ten onrechte gebruik te maken van de busbaan, het busverkeer te hinderen, af te wijken van de aangegeven rijrichting en door rood licht te rijden.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
3.1. Het college is in zijn besluitvorming bij het vaststellen van de feiten uitgegaan van de verklaring van appellant in bezwaar in samenhang met de weergave van een eerdere verklaring van appellant door zijn leidinggevende. De eerst ter zitting van de Raad geponeerde stelling dat de feiten waarvan de rechtbank, in navolging van het college, is uitgegaan toch anders blijken te liggen, is niet nader onderbouwd, zodat de Raad hier verder aan voorbij zal gaan. Dit betekent dat de Raad, in navolging van de rechtbank, ervan uitgaat dat appellant op 16 april 2003 tijdens diensttijd in een dienstwagen, onderweg naar het Centraal Station in verband met een camerastoring, op een busbaan op de Prins Hendrikkade stond te wachten voor een zogeheten negenoog, dat op rood stond. Vervolgens gaf het negenoog aan dat mocht worden doorgereden, echter in een andere richting dan de richting voor het normale verkeer. Voor het normale verkeer stond het licht op rood. Omdat een bus achter appellant begon te claxonneren, is appellant in de richting van het normale verkeer door het rode verkeerslicht gereden. Appellant heeft daarbij niet de door het negenoog aangegeven rijrichting gevolgd.
3.2. In artikel 812, eerste lid, van het ARA is bepaald dat de ambtenaar verplicht is tot vergoeding van de schade, door hem in de uitoefening van zijn betrekking aan de gemeente toegebracht, voor zover deze schade aan opzet, grove schuld of grove nalatigheid van de ambtenaar is te wijten, terwijl het zesde lid van dat artikel bepaalt dat onder aan de gemeente toegebrachte schade, als bedoeld in het eerste lid, mede wordt begrepen de door de ambtenaar in de uitoefening van zijn betrekking aan derden toegebrachte schade, tot vergoeding waarvan de gemeente is gehouden.
3.3. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat de schade, die de gemeente in haar vermogen heeft geleden, het gevolg is van aan appellant te wijten aan opzet grenzende grove schuld. De Raad wijst er hierbij op dat niet gebleken is dat er voor appellant enige noodzaak of rechtvaardiging bestond op de busbaan te gaan rijden; voorts heeft appellant, toen het negenoog aangaf dat mocht worden doorgereden, niet de door het negenoog aangegeven rijrichting gevolgd, maar is hij door het rode licht gereden. Daarvan uitgaande was het college gerechtigd de betrokken schade met toepassing van artikel 812, eerste lid, van het ARA bij appellant in rekening te brengen. Dat in het ARA bij artikel 812 als Pro onderwerp staat vermeld vergoeding bij schade aan gemeente-eigendommen, waarvan volgens appellant geen sprake is, doet hieraan niet af, nu de bewoordingen van het betrokken artikel op zich duidelijk zijn.
4. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R. Kooper en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2006.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) E.W.F. Menkeveld-Botenga.
HD
25.06