ECLI:NL:CRVB:2006:AY9732
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering na medische beoordeling
Appellante maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV waarbij haar WAO-uitkering werd herzien van een arbeidsongeschiktheid van 45-55% naar 35-45%, met ingang van 11 augustus 2003. De medische beoordeling door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat de moeheidsklachten niet objectief konden worden vastgesteld en dat de eerdere urenbeperking niet meer actueel was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat geen nieuwe medische gegevens waren overgelegd die het oordeel van de artsen konden weerleggen. Ook de brief van een arts die appellante overlegde, bevatte geen concrete medische bevindingen die relevant waren voor de situatie op de datum van het besluit.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak na het hoger beroep, oordeelde dat de medische beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen reden was om een onafhankelijke deskundige te raadplegen. De Raad vond de arbeidskundige grondslag van het besluit eveneens juist en zag geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep van appellante af.