ECLI:NL:CRVB:2006:AY9828

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-3666 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 65-80%

Appellante ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die de herziening van haar WAO-uitkering had bevestigd. Het Uwv had de mate van arbeidsongeschiktheid per 18 juni 2001 vastgesteld op 65 tot 80%, in afwijking van de eerdere vaststelling van 80% of meer.

De Raad nam de feiten en omstandigheden zoals vastgesteld door de rechtbank over en oordeelde dat de door appellante ingediende medische en arbeidskundige gronden onvoldoende waren om het oordeel van het Uwv te weerleggen. De medische verklaringen van diverse specialisten ondersteunden het standpunt van het Uwv dat appellante beperkt is, maar niet meer dan aangenomen.

De Raad concludeerde dat appellante in staat wordt geacht de voorgehouden functies te verrichten, wat een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80% rechtvaardigt. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65 tot 80% wordt bevestigd.

Uitspraak

04/3666 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2004, reg.nr. 02/1716 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I. Winia, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2006. Appellante noch haar gemachtigde is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. A.N. Rebet.
II. OVERWEGINGEN
De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die zijn vermeld in de aangevallen uitspraak.
In de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het Uwv de WAO-uitkering van appellante die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer per 18 juni 2001 terecht heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
In hoger beroep heeft appellante zonder enige nadere toelichting aangevoerd dat de rechtbank een deel van de door haar in het aanvullend beroepschrift van 30 december 2003 ingediende gronden ongemotiveerd ongegrond heeft verklaard en op een deel van de gronden in het geheel niet is ingegaan.
Appellante heeft voor het overige volstaan met een verwijzing naar het bij de rechtbank ingediende aanvullend beroepschrift van 30 december 2003.
De Raad volgt appellante niet. Appellante heeft in haar aanvullend beroepschrift bij de rechtbank gronden aangevoerd die zien op zowel de medische als de arbeidskundige component van de schatting. De rechtbank heeft deze gronden in de uitspraak besproken. Dat de ingediende gronden niet hebben geleid tot het door appellante gewenste resultaat maakt dit niet anders.
Met de door de rechtbank gegeven motivering waarom de grieven niet kunnen slagen is de Raad het eens.
De Raad wijst erop dat het Uwv geenszins bestrijdt dat de psychische gesteldheid van appellante haar beperkt bij het verrichten van arbeid. Appellante kan naar de mening van het Uwv maximaal 15 uur per week werken en voorts bestaan er naar de opvatting van het Uwv beperkingen bij appellante met betrekking tot “conflicterende functie-eisen” en “conflicthantering”.
De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig. Het is ook de Raad op basis van hetgeen appellante heeft aangevoerd niet kunnen blijken dat het Uwv zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellante per 18 juni 2001 in staat moet worden geacht de haar voorgehouden en in de aangevallen uitspraak genoemde functies te verrichten en hiermede een loon te verdienen dat een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 65-80% rechtvaardigt.
Uit de in beroep overgelegde verklaringen van de psychiaters M. Muinen en A. van de Steenhoven, de internist-endocrinoloog dr. M.L. Drent, de vrouwenarts J.J.L.M. Dekker en I. Vonk, werkzaam in de praktijk voor lichaamsgerichte psychotherapie te Laren, - de nadere medische stukken waarop de rechtbank op pagina drie van de aangevallen uitspraak onmiskenbaar doelt - blijkt geenszins dat het Uwv door het volgen van de opvatting van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts de gezondheidssituatie van appellante, en de hieruit voortvloeiende mogelijkheden tot het verrichten van arbeid, heeft miskend. Uit deze verklaringen blijkt niet dat appellante per 18 juni 2001 meer of anderszins is beperkt dan door het Uwv is aangenomen.
Het hoger beroep faalt mitsdien en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huusssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006.
(get.) J. Brand.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.