ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0017
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toename arbeidsongeschiktheid bij WAO-uitkering na medische verslechtering
Appellante, sinds 1968 werkzaam bij een bedrijf, viel in 1999 uit wegens RSI en nek- en schouderklachten en kreeg in 2000 een WAO-uitkering toegekend. Deze uitkering werd in 2001 ingetrokken omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd geacht te zijn.
Appellante stelde dat haar medische situatie was verslechterd door artrose in de handgewrichten, wat een toename van haar beperkingen betekende. Zij baseerde dit op medische rapporten van reumatologen, bedrijfsarts, huisarts en functioneel onderzoek. De rechtbank en de Raad oordeelden echter dat er geen objectieve aanwijzingen waren voor een verslechtering per 18 maart 2002 ten opzichte van 1 augustus 2001.
De Raad benadrukte dat een toename van pijnklachten niet automatisch betekent dat de medische beperkingen zijn toegenomen. Bovendien was de artrose pas vastgesteld na de relevante datum, waardoor dit niet tot een toename van de arbeidsongeschiktheid per 18 maart 2002 kon leiden. Het hoger beroep faalt en de eerdere uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.