Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant ontving vanaf 29 april 2003 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 28 juli 2004 heeft het College de bijstand met ingang van 1 juni 2004 ingetrokken op de grond dat het recht van appellant op bijstand niet meer kon worden beoordeeld wegens het ontbreken van salarisgegevens. Appellant heeft tegen dat besluit geen bezwaar gemaakt.
Op 9 augustus 2004 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de WWB (eerste aanvraag). Hij heeft daarbij aangegeven te wonen op het adres [adres] te [H.]. Het College heeft vervolgens onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant, in welk kader op 26 augustus 2004 is getracht een huisbezoek af te leggen, hetgeen niet is gelukt. Bij besluit van 1 oktober 2004 heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet de volgens het College noodzakelijke inlichtingen over zijn woon-/verblijfadres heeft verstrekt.
Op 29 September 2004 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd (tweede aanvraag). In het kader van de behandeling van de tweede aanvraag is op 8 oktober 2004 een huisbezoek afgelegd. Bij besluit van 13 oktober 2004 heeft het College ook deze aanvraag afgewezen. Daarbij is overwogen dat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt om te kunnen bepalen waar hij daadwerkelijk verblijft.
Bij afzonderlijke besluiten van respectievelijk 14 december 2004 en 18 januari 2005 heeft het College de tegen de besluiten van 1 oktober 2004 en 13 oktober 2004 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd - samengevat - dat het gezien de onduidelijkheid omtrent de woonsituatie van appellant niet mogelijk is het recht van appellant op bijstand vast te stellen. Aan het besluit van 1 oktober 2004, dat ziet op de eerste aanvraag, is in het bijzonder nog ten grondslag gelegd dat appellant geen gevolg heeft gegeven aan een met de sociale dienst gemaakte afspraak tot bezichtiging van zijn woonruimte.
Bij de aangevallen uitspraak van 27 juni 2005 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 januari 2005 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak van 23 augustus 2005 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit
14 december 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de hiervoor genoemde uitspraken gekeerd. Hij stelt zich in hoofdzaak op het standpunt dat hij geen middelen had om zijn woonruimte in te richten, maar dat hij wel degelijk woonde in een kamer op het door hem opgegeven adres.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt voorop dat voor de beoordeling van het recht op bij stand de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven vormt. Het is dan ook van belang dat de aanvrager juiste en volledige informatie verschaft omtrent zijn woonadres. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag waar iemand woont te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden.