ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0058
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening AOW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding vanaf 1 augustus 1996
Aan appellanten was een ouderdomspensioen toegekend op basis van de norm voor alleenstaanden. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde na een onderzoek vast dat appellanten vanaf 1 juni 1989 een gezamenlijke huishouding voerden en herzag de pensioenen naar de norm voor ongehuwd samenwonenden. Appellanten maakten bezwaar en gingen in beroep en hoger beroep tegen deze herzieningsbesluiten.
De Raad beoordeelde de situatie aan de hand van de wettelijke criteria voor gezamenlijke huishouding, waarbij werd vastgesteld dat appellanten vanaf 2 januari 1998 aan de criteria voldeden. Ook voor de periode van 1 augustus 1996 tot 2 januari 1998 werd geconcludeerd dat sprake was van gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelde dat de Svb terecht heeft herzien, maar dat de herziening met terugwerkende kracht tot 1 augustus 1996 niet correct was vastgesteld.
De Raad vernietigde daarom de besluiten van 3 januari 2005 en verklaarde het beroep gegrond, waarbij de rechtsgevolgen van de besluiten in stand blijven vanaf 1 augustus 1996. Tevens werd de Svb veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellanten.
Uitkomst: De herzieningsbesluiten van de AOW-uitkering worden vernietigd met terugwerkende kracht tot 1 augustus 1996, maar de rechtsgevolgen vanaf die datum blijven in stand.