ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0151
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en herziening WAO-uitkering bij ziekte van Ménière
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering per 18 augustus 2003 in te trekken wegens een afgenomen mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% naar minder dan 15%. Na bezwaar werd de arbeidsongeschiktheidsklasse vastgesteld op 15-25%, maar appellant was het hier niet mee eens en stelde dat zijn beperkingen, veroorzaakt door de ziekte van Ménière, onvoldoende waren meegewogen.
De rechtbank Haarlem verklaarde het beroep tegen het besluit van 12 november 2003 gegrond wegens een motiveringsgebrek en vernietigde het besluit, waarna het UWV een nieuw besluit nam op 30 december 2004. Appellant stelde hoger beroep in tegen zowel de uitspraak van de rechtbank als het nieuwe besluit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen belang meer had bij de beoordeling van de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep tegen die uitspraak niet-ontvankelijk. Ten aanzien van het bestreden besluit van 30 december 2004 concludeerde de Raad dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek de beperkingen van appellant adequaat had beoordeeld, waarbij rekening was gehouden met de ziekte van Ménière en de beperkingen die daarmee gepaard gaan.
Het UWV had voldoende passende functies met voldoende arbeidsplaatsen voorgehouden die binnen de belastbaarheid van appellant vielen. De Raad verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond en zag geen reden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de rechtbankuitspraak is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het herzieningsbesluit van het UWV wordt ongegrond verklaard.