ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0152

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4036 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens vermogen eigen werk te verrichten

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van een WAO-uitkering door het UWV, omdat zij naar eigen zeggen niet in staat is haar werk als parttime chauffeuse uit te voeren.

De verzekeringsarts stelde vast dat appellante forse beperkingen heeft in haar rechterhand en -arm, en beperkte belastbaarheid van nek, rug en linkerschouder. De arbeidsdeskundige concludeerde echter dat appellante haar eigen werk kan verrichten, gezien de aard van de werkzaamheden die geen zware fysieke belasting vereisen.

De Raad oordeelt dat de door appellante overgelegde medische gegevens en rapportages onvoldoende aantonen dat zij haar werk niet kan doen. Het incidenteel tilwerk overschrijdt haar belastbaarheid niet. Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd omdat geen bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitspraak

04/4036 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 juli 2004, 03/395 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. dr. F.T.I. Oey, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 juli 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door H.B. Verhappen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 7 oktober 2002 heeft het Uwv appellante per 22 september 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd onder de overweging dat appellante in staat is haar eigen werk als parttime chauffeuse bestelauto te verrichten.
Bij besluit van 3 februari 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 oktober 2002 ongegrond verklaard.
Het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit.
De verzekeringsarts heeft appellante lichamelijk onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat appellante fors beperkt is in het gebruik van haar rechter hand en -arm. Voorts is het gebruik van de nek, rug en linkerschouder beperkt geacht. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens onderzoek verricht naar het eigen werk van appellante en de belasting van dat werk afgezet tegen de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellante. Daaruit heeft de arbeidsdeskundige de conclusie getrokken dat appellante in staat moet worden geacht haar eigen werk te verrichten.
De Raad oordeelt dat er geen aanknopingspunten zijn voor het standpunt van appellante dat zij haar eigen werk niet kan verrichten. Het is de Raad uit hetgeen appellante naar voren heeft gebracht niet kunnen blijken dat het eigen werk de belastbaarheid van appellante te boven gaat. Van belang hierbij is dat het eigen werk van appellante een parttime functie is waarin geen zware werkzaamheden voorkomen. Het tilwerk dat appellante bij het laden en lossen dient te doen - ook niet het incidenteel voorkomende wat zwaardere tilwerk - overschrijdt niet haar mogelijkheden. De in hoger beroep overgelegde brief van appellantes huisarts van 7 juli 2006 en de ongedateerde trajectrapportage van Epheon Reïntegratie B.V. maakt dat niet anders. Uit deze gegevens blijkt dat appellante lichamelijke belemmeringen heeft. Dat is echter geenszins in geschil. De Raad kan aan die gegevens echter niet ontlenen dat appellante op de in geding zijnde datum niet in staat was te achten haar eigen werk te verrichten.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006.
(get.) J. Brand.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.
MR