ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0183
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering, die was toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV had deze uitkering ingetrokken per 19 februari 2003. De rechtbank Leeuwarden verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de beschikbare medische gegevens geen aanleiding gaven om te twijfelen aan de vastgestelde belastbaarheid volgens de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
Appellante voerde medische gronden aan, waaronder een psychiatrisch rapport en een reïntegratierapport, maar deze werden onvoldoende geacht om de medische beoordeling te weerleggen. De rechtbank stelde dat de gezinssituatie van appellante niet relevant is voor de WAO-toepassing. Tevens werd vastgesteld dat de geduide functies passend waren binnen haar belastbaarheid en opleidingsniveau.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef deze overwegingen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad vond de medische en arbeidskundige onderbouwing van het besluit van het UWV voldoende en zag geen reden om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen. Het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd.