ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0435
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens termijnoverschrijding griffierecht
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Appellante maakte bezwaar tegen deze beslissing door verzet aan te tekenen.
Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de betaling van het griffierecht pas op 21 februari 2006 op de rekening van de Raad was bijgeschreven, terwijl de termijn tot en met 20 februari liep. Hoewel appellante stelde dat er op 18 februari een spoedopdracht was gegeven, kon dit niet worden bewezen. Wel werd vastgesteld dat de zus van appellante op 20 februari een expresgiro-opdracht had verzonden.
De Raad oordeelde dat appellante het verzuim niet kon worden tegengeworpen, mede omdat zij tijdig had kunnen handelen door bijvoorbeeld bijzondere bijstand aan te vragen of uitstel van betaling te verzoeken. Gezien deze omstandigheden werd het verzet ongegrond verklaard en werd de niet-ontvankelijkverklaring gehandhaafd.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard vanwege te late betaling van het griffierecht.