ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0452
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen terugvordering WAO-uitkering na matiging
Appellant was in hoger beroep gekomen tegen een terugvordering van een onverschuldigd betaalde WAO-uitkering door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Het Uwv had bij besluit van 11 december 2003 een bedrag van € 11.168,93 teruggevorderd. Later, bij een besluit van 19 april 2006, werd dit bedrag verlaagd tot € 4.643,67.
Appellant gaf bij brief van 22 juni 2006 aan zich te kunnen verenigen met het verlaagde terugvorderingsbedrag. Hierdoor verloor appellant het belang bij een beoordeling van het hoger beroep. De Raad verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk.
De Raad oordeelde verder dat het Uwv de proceskosten van appellant in hoger beroep moest vergoeden, begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand, en tevens het betaalde griffierecht van € 102,- moest terugbetalen. Partijen waren niet verschenen bij de zitting van 25 juli 2006.
De kern van het geschil betrof de vraag of er dringende redenen bestonden om de terugvordering te matigen of af te zien, zoals bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO. Nu appellant zich verenigde met het gematigde bedrag, was verdere behandeling niet nodig.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.