ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0467
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten UWV over toename arbeidsongeschiktheid en weigering ziekengeld wegens gebrekkige motivering
Appellant, werkzaam als monteur-bankwerker, viel in oktober 1999 uit wegens een hernia en ontving een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Na een medisch heronderzoek in 2001 werd deze uitkering verlaagd naar 35-45%. In 2002 meldde appellant een toename van klachten, waarop het UWV besloot het ziekengeld per 4 november 2002 stop te zetten en de WAO-uitkering niet te verhogen.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten. De rechtbank vernietigde het besluit over het ziekengeld wegens het ontbreken van een hoorplicht, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Het bezwaar tegen de weigering tot verhoging van de WAO-uitkering werd door de rechtbank afgewezen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat beide besluiten niet deugdelijk zijn gemotiveerd en in strijd zijn met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De medische rapportages waarop het UWV zich baseerde, waaronder die van arts Royberghs, zijn onvoldoende om een afname van de benutbare mogelijkheden uit te sluiten. De bezwaarverzekeringsarts had op 26 juni 2002 wel degelijk een toename van beperkingen vastgesteld. Daarom vernietigt de Raad beide besluiten en de aangevallen uitspraken van de rechtbank. Het UWV wordt opgedragen nieuwe besluiten te nemen en wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de besluiten van het UWV en beveelt nieuwe besluitvorming met vergoeding van proceskosten aan appellant.