ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0785

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2527 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbWet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak over niet tijdig beslissen en kostenveroordeling gemeente Tilburg

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Breda waarin het bezwaar van betrokkene tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag op grond van de Wet werk en bijstand gegrond werd verklaard. De rechtbank had het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard en de gemeente veroordeeld in de kosten.

De gemeente voerde aan dat artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing zou zijn op het niet tijdig nemen van een primair besluit, en dat de rechtbank ten onrechte de kosten had toegewezen. De Centrale Raad van Beroep verwijst naar eerdere jurisprudentie en concludeert dat het hoger beroep niet slaagt.

De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank, verbetert de gronden waar nodig en veroordeelt de gemeente Tilburg tot betaling van de proceskosten van € 80,50 aan betrokkene, naast het griffierecht van € 422. De uitspraak werd gedaan door rechter T.G.M. Simons op 17 oktober 2006.

Uitkomst: Hoger beroep van gemeente Tilburg wordt afgewezen en gemeente wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

05/2527 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 april 2005, 04/2426 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene] (hierna: betrokkene),
en
appellant
Datum uitspraak: 17 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. F.M. Heltzel, advocaat te Tilburg, een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 5 september 2006, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 28 oktober 2004 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het niet tijdig beslissen op diens aanvraag op grond van de Wet werk en bijstand gegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van de kosten van het bezwaar afgewezen.
Bij de aangevallen uitspraak (LJN: AT3313) heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 28 oktober 2004 gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard, appellant veroordeeld in de kosten van het bezwaar en het beroep en bepaald dat het in beroep betaalde griffierecht dient te worden vergoed.
Appellant heeft in het hoger-beroepschrift - kort samengevat - aangevoerd dat artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet ziet op het niet tijdig nemen van een (primair) besluit, zodat de rechtbank het beroep ten onrechte gedeeltelijk gegrond heeft verklaard en appellant ten onrechte heeft veroordeeld in de kosten van het bezwaar.
De Raad komt, met verwijzing naar zijn uitspraak van 13 juni 2005 (LJN: AT7346), tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt.
De aangevallen uitspraak komt derhalve, voor zover aangevochten, met verbetering van de gronden voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet voorts aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, begroot op
€ 80,50 voor verleende rechtsbijstand (1 punt; wegingsfactor 0,25).
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 80,50, te betalen door de gemeente Tilburg;
Bepaalt dat van de gemeente Tilburg een griffierecht wordt geheven van € 422,--.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2006.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.