ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0863

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6135 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Algemene bijstandswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering bijzondere bijstand voor tandheelkundige hulp als lening

Appellante had bijzondere bijstand voor tandheelkundige hulp ontvangen in de vorm van een lening, omdat zij niet tijdig een machtiging bij haar zorgverzekeraar had aangevraagd. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage handhaafde dit besluit na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.

In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad onderschrijft dat het redelijk is dat appellante zich tijdig tot de zorgverzekeraar wendt voor vergoeding van de kosten. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat appellante daartoe niet in staat was. De nalatigheid van appellante leidt ertoe dat zij geen aanspraak kan maken op vergoeding door de zorgverzekeraar.

De Raad ziet geen reden om de aangevallen uitspraak te vernietigen en bevestigt deze. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter T.G.M. Simons en uitgesproken in aanwezigheid van griffier A.H. Polderman-Eelderink op 17 oktober 2006.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat bijzondere bijstand als lening terecht is verleend vanwege nalatigheid appellante.

Uitspraak

05/6135 NABW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 september 2005, 04/2694 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 17 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door
mr. J.P.L.C. Dijkgraaf en mr. J.L.A. Helmer, beiden advocaat te ’s-Gravenhage. Het College is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Bij besluit op bezwaar van 26 april 2004 heeft het College het besluit van 30 september 2003 gehandhaafd waarbij aan appellante bijzondere bijstand is verleend in de kosten van tandheelkundige hulp in de vorm van een lening met toepassing van artikel 24, aanhef en onder b, van de Algemene bijstandswet. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante heeft nagelaten om zich - tijdig - te wenden tot de zorgverzekeraar teneinde een machtiging te verkrijgen voor de behandeling, met als gevolg dat zij niet meer voor vergoeding van de kosten door de zorgverzekeraar in aanmerking kan komen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 april 2004 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College terecht bijzondere bijstand heeft verleend in de vorm van een lening. De Raad kan zich met hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak naar aanleiding van de door appellante aangevoerde beroeps-gronden heeft overwogen geheel verenigen. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep door appellante nog is aangevoerd overweegt de Raad dat het in geval van een behandeling als door appellante is ondergaan voor de hand ligt dat men zich - tijdig - tot de zorgverzekeraar wendt om voor vergoeding van de kosten in aanmerking te komen. De Raad heeft in de gedingstukken onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor de stelling van appellante dat zij hier niet toe in staat was. Gelet op de nalatigheid van appellante komt de omstandigheid dat zij geen aanspraak kan maken op een vergoeding door de zorgverzekeraar voor haar risico.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen grond voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2006.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.