ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0881
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding volgens WWB
Betrokkene diende op 9 januari 2004 een aanvraag in voor bijstand als alleenstaande. Deze werd door het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam afgewezen op grond van het bestaan van een gezamenlijke huishouding met [V.d. V.], zoals bedoeld in artikel 3 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB).
De rechtbank Rotterdam vernietigde het besluit en verklaarde het beroep gegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep anders. De Raad stelde vast dat betrokkene en [V.d. V.] beiden hun hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres en dat zij blijk gaven van wederzijdse verzorging door middel van een gezamenlijk huurcontract, gedeelde huishoudkosten en een mate van financiële verstrengeling die verder gaat dan alleen het delen van woonlasten.
De Raad vond dat het gezamenlijke huurcontract ook een element van zorg inhoudt, aangezien [V.d. V.] wel en betrokkene niet voldoende urgentiepunten had voor zelfstandige woonruimte. De wijze van kostenverrekening en het gebruik van voorzieningen duiden op een gezamenlijke huishouding. Hierdoor was de afwijzing van de bijstand voor een alleenstaande terecht gehandhaafd en werd het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag voor een alleenstaande wordt bevestigd wegens het bestaan van een gezamenlijke huishouding.