ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0897
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO-schatting arbeidsongeschiktheid ondanks eerdere vernietiging besluiten
De zaak betreft het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die twee besluiten inzake de WAO-schatting van betrokkene vernietigde wegens onvoldoende motivering. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene terecht is vastgesteld op 35 tot 45 procent.
De rechtbank had geoordeeld dat de besluiten niet zorgvuldig waren voorbereid en onvoldoende waren gemotiveerd, met name ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling. In hoger beroep heeft het UWV aanvullende rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige en bezwaarverzekeringsarts overgelegd. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat deze rapporten samen met de overige stukken nu een toereikende motivering vormen.
De Raad acht aannemelijk dat de belasting verbonden aan de voorgelegde functies de belastbaarheid van betrokkene niet overschrijdt, mede gelet op de beperkingen in hoofdbewegingen. Het standpunt van betrokkene dat de belastbaarheid zou worden overschreden is niet nader onderbouwd. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank, behoudens de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten, die in stand blijven.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van betrokkene en legt griffierecht op. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 18 oktober 2006.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtbankuitspraak en wijst het hoger beroep van het UWV af, met instandhouding van de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten.