ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0912
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende beperkingen
Appellant, werkzaam als postsorteerder, meldde zich ziek met nek-, schouder- en armklachten. Een verzekeringsarts stelde een RSI vast met lichte beperkingen, vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant geschikt was voor zijn eigen werk, waardoor de arbeidsongeschiktheid op minder dan 15% werd vastgesteld.
Op basis hiervan weigerde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een WAO-uitkering. Appellant maakte bezwaar, onder meer met een rapport van de WRA Groep, maar dit leidde niet tot wijziging van het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en dat de ernst van de pijnklachten en beperkingen niet waren onderschat. Het rapport van de WRA Groep werd niet als doorslaggevend beschouwd, mede omdat het niet op de datum in geding betrekking had. Ook werd geen sprake geacht van een urenbeperking of noemenswaardige beperkingen in statische houdingen die het werk zouden belemmeren.
De Raad concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht onder de 15% was vastgesteld en dat de weigering van de WAO-uitkering rechtmatig was. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.