ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0914
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). In oktober 2002 is een persoon bij haar komen wonen, waarna de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek instelde naar hun woon- en leefsituatie. Op basis van dit onderzoek beëindigde de Svb de uitkering met ingang van oktober 2002 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Zij stelde dat de ander slechts bij haar op kamers woonde en dat er sprake was van een zakelijke huurder-verhuurster relatie.
De Raad stelde vast dat zij samen op hetzelfde adres woonden en dat de financiële bijdrage van de ander niet als een reële huur kon worden beschouwd, maar eerder als een bijdrage aan de gezamenlijke huishouding. Ook het gebruik van de auto en de hulp die de ander verleende wezen op een verbondenheid die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijdt.
De Raad concludeerde dat aan het criterium van wederzijdse verzorging was voldaan en bevestigde daarmee het besluit van de Svb tot intrekking van de uitkering. Het feit dat de gemeente Zoetermeer een bijstandsuitkering toekende aan appellante deed hieraan niet af, aangezien de Svb een eigen beslissingsbevoegdheid heeft. Het hoger beroep werd verworpen en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de nabestaandenuitkering wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.