ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1087

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4549 WWB-VV +06-754 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Th.C. van Sloten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 18 Beroepswet
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid voorzieningenrechter bij hoger beroep tegen uitspraak rechtbank in WWB-zaken

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zutphen inzake een WWB-zaak en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de Centrale Raad van Beroep. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting op 26 september 2006 verricht.

De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 8:81 Awb Pro en artikel 21 Beroepswet Pro een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist. Tevens kan de voorzieningenrechter, indien nader onderzoek niet bijdraagt aan de beoordeling, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de aangevallen uitspraak een uitspraak betreft als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, Awb, waarbij de rechtbank het verzet van appellant gegrond heeft verklaard. Volgens vaste rechtspraak kan een wettelijk appelverbod slechts worden doorbroken bij evidente schending van beginselen van goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen. Een dergelijke schending is niet gebleken, zodat de voorzieningenrechter zich onbevoegd verklaart ten aanzien van zowel het hoger beroep als het verzoek om voorlopige voorziening.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening.

Uitspraak

06/4549 WWB-VV
06/754 WWB
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, van de Algemene wet bestuursrecht alsmede op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in het geding tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 26 januari 2006, 05/115 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk (hierna: College)
datum uitspraak: 10 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2006.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:86 van Pro de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzet dat door appellant was ingesteld tegen de met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb op 23 juni 2005 door de rechtbank gedane uitspraak gegrond verklaard. De aangevallen uitspraak is derhalve een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb.
Volgens vaste rechtspraak van - ook - de Raad kan van een doorbreking van een wettelijk appelverbod slechts aanleiding zijn, als sprake is geweest van evidente schending van beginselen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen.
De voorzieningenrechter is van een zodanige schending niet gebleken.
De voorzieningenrechter is derhalve niet bevoegd van het ingestelde hoger beroep kennis te nemen.
Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening evenmin bevoegd is.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart zich onbevoegd ter zake van de hoofdzaak;
Verklaart zich onbevoegd ter zake van het verzoek om voorlopige voorziening.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.H.W. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) S.W.H. Peeters.
RB1010