ECLI:NL:CRVB:2012:BW5351

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-782 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 8:88 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening van onherroepelijke uitspraak sociale zekerheidsrecht

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep een verzoek ingediend tot herziening van een uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 oktober 2006. Deze uitspraak betrof een hoger beroep in een zaak onder de Werkloosheidswet (WWB). Het verzoek tot herziening werd ingediend op grond van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat herziening mogelijk maakt bij nieuwe feiten of omstandigheden die voorheen niet bekend waren.

De Raad heeft beoordeeld dat het verzoek niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 8:88 Awb Pro, omdat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die redelijkerwijs niet bekend konden zijn en die tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden. Tevens is bevestigd dat het wettelijk appelverbod van artikel 8:55 Awb Pro slechts doorbroken kan worden bij evidente schending van fundamentele rechtsbeginselen, hetgeen hier niet het geval is.

De Centrale Raad concludeert dat het verzoek niet toewijsbaar is en wijst het af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in aanwezigheid van griffier J. van Dam, op 8 mei 2012.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de onherroepelijke uitspraak wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

11/782 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 10 oktober 2006, 06/4549 en 06/754
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het dagelijks bestuur van de Sociale Dienst Oost Achterhoek (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 8 mei 2012
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 10 oktober 2006, LJN AZ1087.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2012. Verzoeker is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.M.J.I. de Veer.
OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. Bij bovenvermelde uitspraak van 10 oktober 2006 heeft de voorzieningenrechter van de Raad overwogen dat het hoger beroep van verzoeker is gericht tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb. Daartegen kan ingevolge artikel 18, tweede lid en onder c, van de Beroepswet geen hoger beroep worden ingesteld. Zoals in die uitspraak voorts is overwogen wordt volgens vaste rechtspraak van de Raad het wettelijk appelverbod slechts doorbroken indien sprake is geweest van evidente schending van beginselen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen. De voorzieningenrechter van de Raad is in die uitspraak tot het oordeel gekomen dat van een zodanige schending niet is gebleken en hij heeft zich dan ook onbevoegd verklaard ter zake van de hoofdzaak en ter zake van het verzoek om voorlopige voorziening.
3. De gronden van onderhavig verzoek houden verband met omstandigheden die niet zien op de onder 2 genoemde uitspraak maar op andere eerder door verzoeker gevoerde procedures. Het bijzondere rechtsmiddel van herziening is hiervoor echter niet gegeven. Nu verzoeker aan zijn verzoek om herziening geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van Pro de Awb ten grondslag heeft gelegd, is dit verzoek niet voor toewijzing vatbaar.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2012.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) J. van Dam.
HD