ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1115
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Heropening WAO-uitkering na niet verschijnen medisch onderzoek en toepassing artikel 25 en 29 WAO
Appellant, die sinds 1992 arbeidsongeschikt was, kreeg een WAO-uitkering die per 3 juni 1993 werd geschorst wegens onbekende verblijfplaats en niet verschijnen bij medisch onderzoek. Het UWV besloot in 2004 de uitkering te weigeren op grond van artikel 25 WAO Pro. Appellant ging in bezwaar en beroep tegen dit besluit.
De rechtbank handhaafde het besluit, uitgaande van artikel 25 WAO Pro zoals dat gold vóór 1 augustus 1996. Appellant stelde in hoger beroep dat het besluit beoordeeld moest worden naar de gewijzigde wetgeving en dat het UWV ten onrechte de werking van het eerdere besluit had beëindigd. Tevens werd een beroep gedaan op analoge toepassing van artikel 35 WAO Pro.
De Raad overwoog dat het UWV terecht uitging van de oude regeling omdat de gedragingen plaatsvonden vóór de wetswijziging. Wel oordeelde de Raad dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd of en hoe artikel 29 WAO Pro was toegepast, terwijl appellant sinds 18 januari 2000 bereid was tot medewerking. De Raad stelde vast dat het motiveringsbeginsel was geschonden en vernietigde het besluit, met de opdracht aan het UWV een nieuwe beslissing te nemen rekening houdend met alle relevante omstandigheden, waaronder de psychiatrische stoornis van appellant.
De Raad veroordeelde het UWV tevens tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV dient een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van artikel 25 en 29 WAO.