ECLI:NL:CRVB:2011:BT6765
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling opheffing schorsing WAO-uitkering en toepassing overgangsrecht
Appellant ontving sinds 1978 een WAO-uitkering wegens 80-100% arbeidsongeschiktheid. In 1996 werd de uitkering geschorst vanwege het niet verschijnen op een medisch onderzoek zonder geldige reden. Pas in april 2000 verklaarde appellant zich bereid tot medisch onderzoek, dat in 2003 plaatsvond. Het UWV besloot de arbeidsongeschiktheid vanaf 28 april 2000 weer in aanmerking te nemen en hervatte de uitkering vanaf die datum.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat de uitkering met terugwerkende kracht vanaf 28 april 1999 betaald moest worden, verwijzend naar een eerdere uitspraak waarin een jaar terugwerkende kracht werd toegekend. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad oordeelt dat het besluit beoordeeld moet worden aan de hand van artikel 25 WAO Pro zoals dat gold vóór 1 augustus 1996, en dat het UWV terecht geen verzachtende omstandigheden aannam.
De Raad wijst het verzoek om schadevergoeding af en bevestigt dat artikel 35 WAO Pro niet van toepassing is op het hernieuwd in aanmerking nemen van de arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 25. Er is geen aanleiding tot een eerdere ingangsdatum van de uitkering dan 28 april 2000. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de opheffing van de schorsing van de WAO-uitkering per 28 april 2000 terecht is en wijst het verzoek om schadevergoeding af.