ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1124
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering per 22 juli 2002 in te trekken wegens een afgenomen arbeidsongeschiktheid tot minder dan 15%. De rechtbank oordeelde dat de begeleiding bij reïntegratie losstaat van de mate van arbeidsongeschiktheid en dat de functies waarop de schatting is gebaseerd passend zijn.
Appellante stelde dat de belastbaarheid door het UWV was overschat en dat onvoldoende motivering was gegeven waarom de functies geschikt zouden zijn. Ook verzocht zij om overlegging van enquêteformulieren van de arbeidsdeskundige om de juistheid van de functiebeschrijvingen te controleren.
De Raad oordeelde dat het UWV niet van onjuiste beperkingen was uitgegaan en dat de nadere beperkingen die door een psychiater waren genoemd, voldoende waren verwerkt in de beoordeling van het sociaal functioneren. De Raad vond dat het theoretische karakter van de schatting slechts in uitzonderlijke gevallen aandacht aan intensieve begeleiding bij reïntegratie vereist, wat hier niet aan de orde was.
De Raad vond de motivering van het UWV over de geschiktheid van de functies voldoende en concludeerde dat het verlies aan verdienvermogen minder dan 15% bedroeg, waardoor de intrekking van de WAO-uitkering terecht was. Het verzoek tot overlegging van enquêteformulieren werd afgewezen en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% wordt bevestigd.