ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1125
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende uitlooptermijn
Appellante, werkzaam als secretarieel medewerkster aan de Rijksuniversiteit Groningen, viel uit wegens psychische surmenage. Na een WAO-uitkering toegekend te hebben gekregen, besloot het UWV haar uitkering per 13 september 2002 in te trekken op basis van een rapport van een verzekeringsarts die stelde dat zij niet langer arbeidsongeschikt was.
Appellante maakte bezwaar en liet een contra-expertise uitvoeren die beperkingen vaststelde. De bezwaararbeidsdeskundige concludeerde echter dat zij geschikt was voor aangepast werk bij haar werkgever of elders. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en ook de rechtbank wees het beroep af.
In hoger beroep stelde de Raad vast dat het UWV ten onrechte geen uitlooptermijn in acht had genomen bij de intrekking van de uitkering, terwijl volgens vaste jurisprudentie een dergelijke termijn geldt tenzij sprake is van een uitzondering die hier niet van toepassing was. Hierdoor heeft het UWV het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat het UWV een nieuwe beslissing moet nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV dient een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van een uitlooptermijn.