ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1183
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding en herziening AOW-uitkering
Appellanten ontvingen AOW-uitkeringen berekend naar de norm voor alleenstaanden. De Sociale verzekeringsbank (Svb) vermoedde dat zij een gezamenlijke huishouding voerden en startte een onderzoek, inclusief huisbezoek en getuigenverhoren. Uit het onderzoek bleek dat zij vanaf 1992, met uitzondering van maart tot september 2002, een gezamenlijke huishouding hadden.
De Raad beoordeelde de situatie aan de hand van de AOW-wetgeving, waarbij het criterium van wederzijdse verzorging centraal stond. De Raad concludeerde dat appellanten financieel en praktisch in elkaars verzorging voorzagen, wat verder ging dan alleen het delen van woonlasten. De stellingen van appellanten over hun woonsituatie werden door de Raad verworpen vanwege onjuiste informatieverstrekking.
Appellanten voerden aan dat zij mochten vertrouwen op eerdere beslissingen van de Svb, maar de Raad oordeelde dat dit vertrouwen niet gerechtvaardigd was gezien de onjuiste verklaringen. De Raad bevestigde de herziening van de AOW-uitkeringen en wees het beroep af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De herziening van de AOW-uitkeringen wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd en het hoger beroep afgewezen.