ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1585
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ’t Hooft
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing armorthese wegens niet-ontvankelijk bezwaar
Appellant verzocht op 8 mei 2003 om verstrekking van een armorthese bij VGZ, welke op 12 december 2003 werd afgewezen zonder bezwaarclausule. Appellant diende op 28 januari 2004 bezwaar in, na afloop van de wettelijke termijn, omdat hij niet op de bezwaarprocedure was gewezen. VGZ handhaafde het besluit bij brief van 4 februari 2004 en verklaarde het bezwaar op 9 augustus 2004 ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het besluit van 12 december 2003 een besluit in de zin van de Awb is, ondanks het ontbreken van een bezwaarclausule. De brief van 4 februari 2004 was geen nieuw besluit. De Raad stelde vast dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, ook niet vanwege het ontbreken van een bezwaarclausule. Er waren geen bijkomende omstandigheden die niet-ontvankelijkheid konden voorkomen.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit, verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en veroordeelde VGZ in de proceskosten van appellant. Tevens werd VGZ opgedragen het griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit van 12 december 2003 wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.