ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1608
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde WAO-uitkering bij klachten stuitje na val in bouw
Appellant, die klachten aan het stuitje heeft na een val tijdens zijn werk in de bouw, ontving vanaf 26 augustus 1999 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Dit besluit bleef in bezwaar- en beroepsprocedures ongewijzigd, waaronder een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van 13 oktober 2004.
Bij het bestreden besluit van 28 mei 2003 werd het bezwaar van appellant tegen de voortzetting van deze uitkering ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit in haar uitspraak van 12 juli 2004, stellende dat het belastbaarheidspatroon van 25 mei 1999 nog steeds van toepassing was en dat appellant de aangeduide functies zou moeten kunnen vervullen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat bij coccygodynie zelden objectiveerbare afwijkingen worden vastgesteld, maar dat dit de reële pijnklachten niet uitsluit. De Raad oordeelde echter dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de medische beoordeling door verzekeringsartsen en zag geen noodzaak voor een aanvullende expertise.
De Raad bevestigde dat appellant de functies van meubelspuiter, draadvlechter en machinaal houtbewerker kan vervullen en dat het Uwv terecht het arbeidsongeschiktheidspercentage ongewijzigd heeft vastgesteld. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de ongewijzigde voortzetting van de WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.